DE LESSENAAR

Alles over en voor School.

Een school is pas goed als de directeur niets doet,
de leraren weinig en de leerlingen alles.

Jan Ligthart



De Geschiedenis van het onderwijs

Het Europese onderwijs dat gegeven werd vóór de reformatie is te verdelen in bepaalde periodes. In Europa begon het onderwijs vorm te krijgen in de Griekse oudheid en langzamerhand begon het, door Griekse invloed, verder naar West-Europa te trekken. Het onderwijs na het vertrek van de Romeinen richt zich voornamelijk op de principes van het rooms-Katholieke geloof en werd daarom ook, tot de reformatie, voornamelijk gegeven in kloosters of andere geloofsinstellingen.

Griekse oudheid
De eerste vorm van formeel onderwijs dateert mogelijks reeds van 1000 v.Chr. in China, maar meer relevant voor het westerse onderwijs is het oude Griekenland. In het klassieke Griekenland bestonden er geen scholen. Er was geen huiswerk, geen schoolbel. De beroemde school in Athene was Plato's academie. In deze 'school' waren er echter geen klassen of examens. Het was een plaats waar denkers converseerden met elkaar, met Plato's ideeën als uitgangspunt. Vandaag zouden we dit een salon noemen. In de Griekse stadstaten ontstonden er twee onderwijsmodellen: het gedecentraliseerde Atheense model en het staatsgecontroleerde Spartaanse model.

Onderwijs in Athene
In de klassieke oudheid was Athene de meest geletterde staat ter wereld; aangenomen wordt dat vrijwel alle Atheense mannen konden lezen en schrijven. In Athene speelde de staat (de volksvergadering), afgezien van twee jaar verplichte militaire training, geen rol in het onderwijs.

Socrates beschreef de situatie als volgt:
"Wanneer jongens oud genoeg lijken om iets te leren, onderwijzen hun ouders dat waarvan zij weten dat het nuttig zal zijn voor hen; voor vakken waarvan ze denken dat anderen beter gekwalificeerd zijn om ze te onderwijzen, sturen ze hen naar school om te leren, en betalen ze hiervoor."

 
Kinderen werden vanaf de leeftijd van zes of zeven naar school gebracht, maar rijke ouders lieten hun kinderen vaak vroeger beginnen en hielden ze langer op school. Scholen werden als private bedrijven uitgebaat: de vakken die gegeven werden en het schoolgeld dat ervoor betaald werd, hing af van wat de ouders wilden dat hun kind zou leren. De competitie tussen scholen om ouders en studenten aan te trekken hield de kost van het onderwijs behoorlijk laag: vermoed wordt dat zelfs de armste families hun zonen voor enkele jaren naar school konden laten gaan. Armere kinderen leerden een ambacht door in de leer te gaan bij een vakman. Hun ouders stelden een overeenkomst op met de vakman waarin ze aanduidden welke vaardigheden hij zou aanleren en de deze werd enkel betaald als hij het contract was nagekomen.

Atheense ouders zochten onderwijs voor hun kinderen in drie algemene categorieën: lichaamsoefening, grammatica (het lezen en schrijven), en muziek (het kunnen bespelen van een instrument, goed kunnen acteren en dansen). Alle drie waren ze van groot praktisch nut. Kracht en behendigheid waren belangrijk aangezien oorlog een constante dreiging was, en elke gezonde burger in het leger moest dienen. Muziek was belangrijk voor het in stand houden van de eeuwenoude orale traditie, die geschiedenis en literatuur doorgaf in de vorm van epische poëzie. Vanaf de 5e eeuw v. Chr. begon het schrift aan belang te winnen, in de wetenschap, literatuur en zakenwereld.

Met groei van de volksvergadering in Athene steeg ook de vraag naar retorische vaardigheden. Rondreizende leraren brachten tegen betaling kinderen deze vaardigheden bij. Dit waren de sofisten. Ze rekruteerden studenten door redevoeringen te houden op de stadspleinen, waardoor iedereen hun talenten kon beoordelen. Naast retoriek en filosofie, werd er door de sofisten een zeer divers palet aan vakken aangeboden waartussen de studenten konden kiezen. Op allerlei plaatsen werden er lezingen gehouden: buitenshuis, in het huis van de leraar, en soms in huizen die speciaal voor de gelegenheid gehuurd werden. Studenten van alle leeftijden die geïnteresseerd waren en in staat om mee te doen, konden dat.

Naarmate de nood aan hoger onderwijs hoger werd, ontstonden er rond de 4e eeuw v. Chr. een paar scholen in Athene. De academie van Plato en het lyceum van Aristoteles waren plaatsen waar studenten gratis konden komen om met elkaar in discussie te gaan, en lezingen bijwoonden. Daarnaast ontstonden ook scholen die betalend onderwijs aanboden. De meest bekende is de school van Isocrates. Aspasia, een vrouw afkomstig uit Milene, richtte in Athene een school op waar ook meisjes naartoe mochten. Er kwam veel protest vanuit de hogere kringen, maar de school werd niet verboden. Aspasia genoot een zeer goede reputatie als redenares: volgens Plato werden haar lezingen bijgewoond door groten als Socrates en Pericles.

Onderwijs in Sparta
Sparta was een oligarchie met twee koningen aan het hoofd. Over de macht van de volksvergadering is niets bekend. Basisidee van de Spartaanse machthebbers was dat het belang van de staat primeerde boven het belang van het individu. Dit reflecteerde zich ook in het Spartaanse onderwijsmodel, de 'agoge'. Biograaf Plutarchus beschrijft de ideeën van Lycurgus, één van Sparta's meest geprezen leiders, over het Spartaanse burgerschap:

"Eerst en vooral behoorden kinderen volgens Lycurgus niet toe aan hun vaders, maar aan de stad. Daarom wilde hij dat burgers niet zomaar uit gelijk welke partners voortgebracht werden, maar uit de beste. Verder zag hij heel wat domheid en pretentie bij andere heersers als het over deze zaken ging. Zulke mensen laten hun teven en merries dekken door de beste honden en hengsten die ze maar kunnen vinden, tegen betaling of voor een wederdienst. Maar ze sluiten hun vrouwen op en bewaken ze, en claimen het exclusieve recht om hun kinderen zelf voort te brengen."[2]
Overspel werd aangemoedigd, en een grote kroost werd aanzien als een deugd. Nieuwgeboren baby's werden door de stadsoudsten geïnspecteerd op afwijkingen. Baby's die niet voldeden aan de norm, werden van een klif in zee gegooid. Vanaf de leeftijd van zeven jaar werden alle jongens weggehaald van hun familie om in staatsinternaten school te volgen. Ouders hadden geen inspraak in de scholing van hun kinderen.

Een klas jongens werd 'boua' genoemd, het woord voor kudde. Uit elke klas werd een dominante jongen gekozen als kuddeleider. De directeur van de school heette 'paidonomus'(herder). De paidonomus werd uit de aristocratische middens gekozen. Hij had de autoriteit om de jongens te trainen en om ze met harde hand discipline bij te brengen. Hij werd bijgestaan door twee assistenten die met zwepen de gehoorzaamheid erin drilden. Soms werd een willekeurige jongen zomaar in elkaar geslagen, om te zien hoe sterk hij was. Als hij dat dan niet overleefde, had hij pech.

Het onderwijs bestond vooral uit fysieke training: gymnastiek, lopen, springen, speer- en discuswerpen. Ook werden ze getraind om pijn, honger, dorst, koude en slaapgebrek te verdragen. De kinderen liepen blootsvoets, en droegen zomer en winter hetzelfde doek - dat ze éénmaal per jaar van de staat kregen. Volgens Plutarchus werden studenten wel ingewijd in het lezen en schrijven, maar "niet meer dan nodig". Veel gelezen werd er niet in Sparta: boeken en geschreven wetten bestonden vrijwel niet in de stadstaat. Kinderen leerden op school militaire gedichten, krijgsliederen en het citeren van Homerus. Retoriek leren bij een leraar was echter een strafbaar feit. Het was ook niet toegelaten om zaken toe te voegen aan het opgelegde curriculum: nieuwe technieken introduceren bij het worstelen of in de krijgskunst was streng verboden. Er werden opzettelijk kleine porties uitgedeeld bij de maaltijden, om het bestelen van boeren en slaven aan te moedigen. Dit zou sterke, plunderzuchtige legers voortbrengen.

Vanaf achttien jaar kregen de jonge Spartanen een verdere training in een instituut dat bekend staat als de 'krypteia'. Jonge mannen werden in groepen verdeeld en weggestuurd naar het platteland, waar ze moesten overleven door te jagen en te stelen. Hun voornaamste missie was echter om de boeren aan te vallen, als laatste fase van hun militaire training.

Griekse invloed in Rome
Onder invloed van de Grieken kwamen er in Rome in de 3e eeuw v. Chr. naast de scholen voor jongens en meisjes (die ludus genoemd werden) ook Griekse scholen. Het grote verschil tussen deze twee scholen was dat er in de ludus onderwijs gegeven werd op het gebied van lezen, schrijven en rekenen, terwijl er in de Griekse scholen les gegeven werd door een grammaticus op het gebied van de Griekse taal- en schrijfkunde en les in de geschiedenis van Griekse auteurs. In de 1e eeuw v. Chr. kwam daar ook de Latijnse school bij.

Bij het hogere onderwijs kwamen er in Rome onder Griekse invloed later ook nog de onderwijsgebieden, grammatica, retorica (kunst van de spraak), dialectica (samen onder de noemer Trivium) en het zogenoemde quadrivium (rekenen, astronomie, geometrie en muziek) bij. Trivium en quadrivium worden samen Artes liberales genoemd. Artes liberales wordt gevolgd door kinderen van 12 tot 14 jaar oud. Naast deze scholen was er nog een aparte rol voor de scholen die les gaven in de leer van het recht, de lichaamsbeweging en de militaire scholen.

Na het wegtrekken van de Romeinen verdwenen in West-Europa de scholen waar er les werd gegeven in de stijl van Artes liberales (de scolae publicae) en dit onderwijs werd nu verdeeld onder de kloosters en enkele hogere, private onderwijsinstellingen.

Scholastische traditie
Vóór de twaalfde eeuw speelde het intellectuele leven in Europa zich af in kloosters, waar vooral liturgie en gebed werd bestudeerd. In de twaalfde en dertiende eeuw was er voldoende welvaart om een professionele clerus te betalen en bisschoppen zijn toen begonnen met het oprichten van kathedraalscholen om de clerus het canonieke recht te laten onderwijzen, alsook kerkelijke administratie, boekhouden, logica en retoriek (voor theologische discussies en preken). Kathedraalscholen hadden meestal slechts één leraar. Dit was het begin van de scholastische traditie.

De scholastiek was een filosofische school aan de middeleeuwse universiteiten die wilde aantonen dat het denken van de oudheid niet in strijd was met het katholieke geloof. De scholastici bestudeerden boeken van beroemde auteurs, alsook de bijbel, waar de interne contradicties van werden besproken. De hoogdagen van de scholastiek is de periode 1250 tot 1350. In deze periode werd naast theologie ook natuurfilosofie, psychologie, epistemologie en wetenschapsfilosofie bedreven. Alle scholastici bleven echter verbonden aan de kerkelijke doctrine en bepaalde geloofskwesties konden nooit aangeraakt worden zonder vervolging voor ketterij. De scholastische methode, met de lectio en de disputatio lag aan de basis van de indeling van onze huidige scholen: de leraar vooraan een klas met studenten.