DE LESSENAAR

Alles over en voor School.

Een school is pas goed als de directeur niets doet,
de leraren weinig en de leerlingen alles.

Jan Ligthart



Inclusief onderwijs

Inclusief onderwijs , afkorting IOn, is een alternatief voor speciaal onderwijs (Nederland) of Buitengewoon onderwijs (Vlaanderen) waarbij de nadruk ligt op het aanvaarden van de verscheidenheid en gelijkwaardigheid.

Basisprincipe

In plaats van kinderen met een handicap of leerstoornis uit de gewone schoolomgeving weg te halen in naar een specifieke setting te brengen, wordt bij inclusief onderwijs de specifieke hulp naar het kind gebracht in de gewone school. De extra ondersteuning kan hierbij komen vanuit een school voor speciaal onderwijs, of vanuit een Regionaal expertise centrum.

Toch gaat inclusief onderwijs nog een stap verder. Waar ge´ntegreerd onderwijs de nadruk legt op integratie, en het kind zich dus aanpast aan de bestaande schoolomgeving, wordt bij inclusief onderwijs de nadruk gelegd op het aanvaarden van de verscheidenheid: De school past zich aan aan de leerling en zijn mogelijkheden. Concreet vertaalt dat zich bv. in het loslaten van eindtermen omdat deze voor een inclusieleerling gewoon onmogelijk zijn. De leerling evolueert dan volledig op een eigen traject.

Om inclusief onderwijs mogelijk te maken, is natuurlijk extra ondersteuning nodig voor de school, de klasleerkracht en de leerling. Het ION-project is een concrete invulling van inclusief onderwijs in Vlaanderen, specifiek voor kinderen met een matige tot zware mentale handicap (Attest type 2 is een voorwaarde). Hierbij wordt, zoals bij een GON-ondersteuning, beroep gedaan op de de ervaring van het buitengewoon onderwijs. Dank zij deze ondersteuning kan het "in de vertrouwde omgeving blijven" gecombineerd met de "knowhow" die de scholen voor buitengewoon onderwijs hebben opgebouwd in de specifieke didactiek voor gehandicapten of leergestoorden. Om een GOn-statuut te verkrijgen of om in aanmerking te komen voor het IOn-project, richten ouders zich tot het CLB.

Inclusief onderwijs betekent dat het kind kan opgroeien in een gewone omgeving, vriendjes maken in zijn buurt, met broers of zussen op school zitten enz. Ook blijken deze kinderen zeer veel op te steken door te leren van klasgenoten, wat veel minder evident is in een afgezonderde omgeving waar het gemeenschappelijk kenmerk de handicap is.

Ook blijkt uit de praktijk dat de andere kinderen in de klas en de school een veel tolerantere houding aannemen door het directe contact met het klasgenootje met een handicap. In plaats van meer competitie tussen leerlingen blinken deze klassen uit in sociale omgang, hulpvaardigheid en verdraagzaamheid.

Kritiek

Alhoewel inclusief onderwijs bij tal van kinderen zeer goede resultaten geeft, wijzen recentelijke studies echter uit dat er ook nadelen aan verbonden zijn. De studies pleiten niet voor het terugschroeven van de GON- en ION-maatregelen, maar wel voor een betere voorlichting aan ouders bij het al dan niet kiezen voor deze maatregelen.

Op dit moment vraagt het opstarten en draaiend houden van een inclusieproject een grote inzet, die vaak van de ouders moet komen. Het gaat dan over co÷rdinatie, zoeken naar ondersteuners, lesmateriaal enz. Ook financieel is inclusie niet voor iedereen haalbaar. Soms blijken blinde GON-leerlingen het Braille-schrift veel slechter te beheersen dan leeftijdsgenoten die wel in het blindeninstituut gebleven zijn.

Voor bepaalde kinderen, met name in het domein van de autismespectrumstoornissen, blijkt de "integratie in het gewone milieu" juist een extra last te zijn, want dat is nu net de kern van hun handicap. Door de prioriteit te leggen op de sociale integratie van het kind, kan het dat andere leergebieden (taal, wiskunde, ...) minder aandacht krijgen. Door de intensieve (soms zelfs constante) begeleiding is het mogelijk dat het kind achteruitgaat op het domein van het autonoom kunnen werken.

Daarom is het belangrijk dat het team rond de inclusieleerling het welbevinden van het kind vooropstelt. Als het kind zich goed voelt, moeten de genoemde nadelen afgewogen worden en waar nodig bijsturingen aanbrengen in het project, eventueel door een overgang naar het buitengewoon onderwijs als dit in het belang is van het kind.